Dit jaar vieren we dat Sittard 775 jaar geleden een pakketje ondertekende formulieren kreeg waardoor werklieden aan de bak moesten om stadswallen te bouwen. Sittard kreeg stadsrechten en verwierf daarmee het recht om zichzelf te gaan verdedigen. Men moet zich toen al verheugd hebben op het grote feest dat 775 jaar later zou losbarsten.

Van die 775 jaren Sittard heb ik er inmiddels 22 meegemaakt, en ik ben vastberaden om die verzameling jaren nog wat uit te breiden. De eerste jaren van dat Sittardse bestaan bracht ik door op de Limbrichterweg, waar ik naast een man woonde die zulke lange haren op zijn onderarmen had dat ik vermoedde dat hij er een aantal kleine knaagdieren in had verstopt, die hij ’s avonds, als Sittard de poorten sloot en iedereen het bewustzijn voor een tijdje uitschakelde, trucjes leerde als apporteren en door een brandende hoepel springen. Op een dag was hij verdwenen en niemand wist waarheen. Het werd een van de grote raadsels van de Limbrichterweg.

Na vijf jaar verhuisde ik met mijn ouders een aantal straten verder, naar de Steenuilstraat. Daar kreeg ik een buurmeisje dat een permanent bultje op haar hoofd had, en dat bultje moest ik elke dag bekijken. ‘Kijk,’ zei ze dan. ‘Dat is de waterput voor de luizen.’ De eerste keren gruwde ik ervan – de luizenmoeders op de basisschool had gezegd dat wie luizen had, niet meer op verjaardagsfeestjes van klasgenoten mocht worden uitgenodigd – maar na verloop van tijd ergerde ik me dusdanig aan het meisje dat ik er ’s nachts over fantaseerde dat ik haar hoofd iets te lang in een grote teil met anti-luizenshampoo onderdompelde.

Nadat ik dertien jaar op de Steenuilstraat was blijven wonen, ging ik uit huis en vestigde me samen met mijn vriendin in een ander deel van Sittard. Op de Clotildestraat staat het eerste huis waarvan ik zelf zo nu en dan de toiletpot schoonschrob, waar ik zelf moet zorgen voor nieuwe glazen wanneer ik er weer een aantal kapot laat vallen. De buren die ik in deze straat heb gehad, zijn allemaal maar heel kort blijven plakken, soms woonden ze er niet meer dan drie maanden. Ik vermoed dat het huisje naast ons is gereserveerd voor ex-gedetineerden die allen tevergeefs hebben getracht te resocialiseren – alle mensen die ik in de afgelopen vier jaar ‘buur’ heb kunnen noemen, hebben zich althans niet bijster goed gedragen, zal ik maar zeggen. Daarbij denk ik dan aan de keer dat de buurman midden in de nacht half ontkleed onze slaapkamer binnenwandelde, mij wakker maakte en zich verontschuldigde. ‘Sorry, verkeerde huis,’ zei hij, en strompelde het huis uit. Hoe hij binnenkwam: het is me nog altijd een raadsel.
Ik hoop van ganser harte dat zij mijn columns niet lezen.

Slechts 22 jaar Sittard, nog geen drie procent van de totale bestaanstijd van de stad. Ik hoop er nog een heel aantal jaren aan vast te plakken. In die jaren zal ik naast evenzoveel bijzondere buren komen te wonen, want de woorden saai en Sittard gaan nooit samen.

Meer lezen?  http://www.toonroumen.nl