Aan dierentuinen en -parken heb ik een broertje dood. Vrijwel letterlijk overigens, want toen mijn ouders mijn broer en mij vijftien jaar geleden eens meenamen naar een der Nederlands meest befaamde ophokparken, viel mijn oudergenoot door onbegrensd enthousiasme gecombineerd met een onstuitbare klauterdrang op een haar na in de leeuwenkuil, waar een drietal uitgehongerde carnivoren hun smaakpapillen vast op gang brachten door de omranding van hun eetgaten met speeksel te bevochtigen. Mijn oplettende moeder trok mijn broer aan zijn capuchon van het aardig hoge hek dat aan de bovenkant van het verblijf geplaatst was.

Anders dan je zou verwachten komt mijn dierentuinaversie niet voort uit deze gebeurtenis – ook daarvoor al beleefde ik er weinig plezier aan om onderkomens af te speuren, op zoek naar een klein gestreept of gespikkeld bolletje in een hoek dat alleen in ruil voor een handje voer bereid is zijn fysiek aan druk fotograferend gepeupel te tonen. Mijn geestdrift heeft dat simpelweg nooit geprikkeld. Van veel bezieling mijnerzijds was dan ook geen sprake toen ik twee weken geleden samen met mijn vriendin Lisa (die bij de aanblik van elk denkbaar dier gelijk in katzwijm valt) het Kasteelpark in Born met een bezoek vereerde.

‘Wist je dat dit kasteel hier waarschijnlijk al vanaf de tweede helft van de twaalfde eeuw staat?’ vroeg ik, wijzend naar de resten van wat ooit een middeleeuwse toeristentrekpleister geweest moet zijn. Ik had voorafgaand aan onze trip enige historische research verricht, enerzijds vanuit mijn eigen interesse en anderzijds om voor de verandering ook eens intelligent uit de hoek te komen.
‘Nee,’ zei Lisa gedecideerd doch volkomen ongeïnteresseerd. Ze stond voor een lage kuil waaruit een aantal wasbeerkopjes omhoogstaken. De zwarte kraalogen keken ook mij aan met een blik aan die ik kende van de Giro 555-rampenspotjes op televisie.
‘Die willen alleen maar vreten,’ mompelde ik net hard genoeg. ‘Laten we doorgaan.’
‘Nee natuurlijk niet,’ zei Lisa, beende quasi-beledigd weg en keerde een paar minuten later terug met een papieren zak vol zaden en noten.
‘Kostte maar een paar euro,’ riep ze me toe. ‘Hier, jij ook een handje.’ Voor ik goed en wel principieel kon weigeren, waren mijn twee grotemensenklauwen gevuld met voer. Met een sierlijke boog wierp ik het toen maar in het verblijf. De wasberen piepten me dankbaar toe en vraten alsof hun leven ervan afhing.

Nadat we in de daaropvolgende uren op dezelfde manier uitgebreid stil waren blijven staan bij de cavia’s, alpaca’s, struisvogels, herten, ezels, schapen, uilen, stinkdieren, geiten, neusberen, flamingo’s en zelfs bij een lynx, vond Lisa het de hoogste tijd weer eens naar huis te gaan. Ik was het zelden zo enorm uitbundig met haar eens geweest.
‘In 1930 brandde het kasteel af en bleef de ruïne over die we net hebben gezien,’ probeerde ik in de auto terug, om redenen die ik al eerder benoemde.
‘Zag je trouwens die lynx?’ zei Lisa op dezelfde manier als die middag. ‘Machtig mooi toch, zo’n dier. Echt waar, mach-tig mooi.’
Ik zuchtte, beaamde en sloot mijn ogen.
‘Ja,’ zei ik, ‘mach-tig mooi inderdaad.’

Meer lezen? www.toonroumen.nl