Zoals altijd wanneer fotocamera’s zich tot mij richten, lachte ik overenthousiast en op een groot bord wees ik het stuk aan waarop de naam van mijn thuisstad sierlijk prijkte. ‘Zo goed?’ vroeg ik, maar het antwoord was nee. Mijn rechterhand moest nog iets omlaag. En daarna mijn linkerhand iets omhoog, en daarna mijn rechterhand weer omlaag. Het multitasken ging me door de bonkende muziek, mondvochtopwekkende aroma’s en een allesverzengende hitte niet al te best af. ‘Het is ongeveer wel goed zo,’ hoorde ik mijn vriendin Lisa mompelen vanachter de camera. ‘Ongeveer is goed genoeg met dit weer.’

Nu we er toch waren liepen we een rondje over het Maaslandpark, waar tientallen foodtrucks neergestreken waren om hun spijzen aan de man te brengen. Terwijl ik in een onmenselijke bui van immense keuzestress schoot, merkte Lisa op dat we eerst muntjes moesten kopen bij een centrale kassa. Die muntjes konden we vervolgens op het hele terrein bij alle foodtrucks inwisselen voor bijvoorbeeld kleine kokosballetjes, Surinaamse broodjes met ondefinieerbare maar heerlijk ruikende vulling of een ouderwetse biefstuk van de barbecue. Dus vooruit, wij schoven achteraan in de rij om wat muntjes te bemachtigen.

Die munten bleken, excusez alle mots die volgen, godsgruwelijk afgrijselijk mensonterend duur. Met het geld waarmee je drie munten aan kon schaffen, ongeveer de prijs die je voor het gemiddeld kleine gerecht moest ophoesten, kon ik voor drie dagen boodschappen doen. Ook Lisa bleek geschrokken te zijn van de exorbitante prijzen die het festival de bezoekers liet betalen, althans die voorzichtige conclusie trok ik nadat ze zich hardop afvroeg of die afzetters van dat kolerefestival met hun achterlijke achterhoofden op hun eigen keihard gebakken smerige lappen vlees waren gevallen. ‘Frituur?’ vroeg ik, enerzijds om de boel te sussen en anderzijds om iets aan mijn lege maag te doen, en Lisa knikte. ‘Frituur.’

‘Waar moet ik dan in godsnaam een column over schrijven?’ vroeg ik nadat ik was bekomen van een hap van een te hete kroket. Fantasie is weliswaar het oog van de ziel, maar zo gezellig is dat bij mij nu ook weer allemaal niet. Een klein stukje afspiegeling van de werkelijkheid zou er in mijn stuk wel te vinden mogen zijn. Bovendien, voegde ik daaraan toe, had ik niet voor de gesteriliseerde geslachtsorganen van m’n kat zo lang voor dat bord gestaan in de bloedhitte.
‘Weet ik veel,’ zei Lisa, ‘je verzint maar wat. Schrijf desnoods over het maken van die foto, als die je zo aan het hart gaat.’ Ja, dacht ik, daar zit wat in. Ik schrijf straks een stuk dat begint met het maken van die foto, en dan via die onnozel hoog geprijsde munten naar deze frituur. Tevreden nam ik nog een frietje en probeerde uit te rekenen hoe veel kroketten ik voor een broodje Surinaams spul ik kon kopen. Ik kwam er niet uit.

 

 

Meer lezen? www.toonroumen.nl