‘Nooit, maar dan ook nooit moet je bij het in- en uitstappen achter de helikopter langs lopen,’ zei de man terwijl hij me streng aankeek en zenuwachtig aan zijn diepzwarte snor plukte. Ik vermoedde dat er in de loop der jaren toch al wat stumperds via de achterkant de helikopter in waren geglipt en dat dat hem de nodige bijna-zenuwinzinkingen had bezorgd. ‘Dat is levensgevaarlijk,’ benadrukte de man die er zometeen voor zou gaan zorgen dat ik Sittard van bovenaf zou mogen aanschouwen. Ik begreep het. Als je hoofd je lief is, loop je niet achter langs de helikopter. Natuurlijk niet. Alleen volslagen idioten of gewelddadig suïcidalen doen zoiets achterlijks.

Niet veel later vereenzelvigde ik me met iedereen die zich in de loop der jaren in de hemel had verzameld. In een korte tijd zag ik van een behoorlijke afstand Sittard en de omliggende gebieden. De stad was omgetoverd tot een drukbevolkt kleinemensennest van ongekend minuscuul formaat, een perfect georganiseerd lego-dorpje met de kerken als handreikingen naar het eeuwig onbereikbare. Om het centrum heen zag ik eindeloos uitgestrekte blokjes landbouwgrond die leken op lappendekentjes waar de legomannetjes en -vrouwtjes onder gaan liggen wanneer de zon de andere kant van de aarde verwarmt. De spoorlijn die onze stad met de rest van de wereld verbindt, deed me denken aan de speelgoedrails die ik ooit onder de kerstboom vond maar die tot mijn grote verdriet al na twee dagen extatisch plezier de geest gaf. Tot op de dag van vandaag vermoed ik dat mijn broer iets te maken heeft met de ondergang van mijn treinbaan, maar hard maken kon en kan ik niets.

‘We gaan landen!’ riep de nog steeds snorplukkende piloot door de microfoon, geluid dat via de enorme koptelefoon mijn gehoorgang bereikte. Eenmaal op de grond vergat ik de informatie die ik echt, echt, echt, echtechtecht niet mocht vergeten. Vrolijk zwaaiend naar de camera maakte ik aanstalten om, jawel, de helikopter via de achterzijde te verlaten. De piloot, die op zijn armen al een even uitgebreide haarverzameling had aangelegd als op zijn snor, trok me ruw bij de achterkant vandaan en leidde me ‘via de verdomde voorkant’ weg van het apparaat. Toen we ons van het apparaat hadden verwijderd, zag ik in zijn handen een klein plukje donkergekleurd haar.

Eenmaal thuis wandelde ik naar buiten en keek omhoog, waar witte wolkendekken het zicht op de blauwe hemel onmogelijk maakten. Nu ben ik niet meer dan een plastic geelgekleurd mannetje in het lego-dorpje van mijn dromen, dacht ik. Hoe groot en machtig alles ook mag lijken, in werkelijkheid stelt het allemaal niets voor. In de echte wereld zijn we weinig meer dan panisch heen en weer hupsende nietigheden. Ach. Kippenvel verscheen op mijn armen. Ik ging naar binnen en op de bank zakte ik weg in een lichte slaap, waarin ik herbeleefde hoe ik jaren geleden een dikke deksel op mijn opbergdoos vol lego had gedaan om het voor altijd, eeuwig en nog veel langer te bewaren.

 

Meer lezen? www.toonroumen.nl