Toen ik acht was, schreef ik mijn eerste literaire meesterwerk. ‘Keesje het spook,’ heette het, een verhandeling over een klein schattig spookje dat voornamelijk uit was op het beleven van allerhande doldwaze avonturen. Het handgeschreven boekje (met zelfgemaakte tekeningen!) begon als volgt: Er was eens een uod krakemikig huis en daarin leefte een spookje … ‘

Precies zo’n uod krakemikig huisje stond op een van de beschikbare volkstuinen die ik met Lisa bezocht. ‘Ik wil tuinieren!’ had ze op een plompverloren dinsdagavond geroepen en begon als een bezetene het internet af te speuren, op zoek naar vrije stukken grond (ons balkon van drie vierkante meter was in de voorbijgegane jaren niet in staat gebleken haar onstuitbare drang naar het amateur-hovenierschap te stuiten). Ze ontdekte dat er op nog geen kwartier wandelen van ons appartement in Sittard een volkstuinvereniging huisveste: een enorme lap grond, opgedeeld in kleinere tuintjes die voor een buitengewoon schappelijk bedrag huurbaar bleken.

Lisa maakte een afspraak voor een rondleiding, die de volgende dag al plaatsvond. We werden rondgeleid door een vrouw op leeftijd van wie ik inschatte dat ze vroeger kleuterjuf was geweest. We kwamen aan bij de tuin die de onze zou worden.
‘Dat tuinhuisje moet worden gesloopt,’ mompelde de vrouw, wijzend op een uod houten bouwval. ‘Rot tot op het bot. Dat regelen wij voor u.’
Lisa knikte en sprak met de vrouw over komkommers, preien en struiken bieslook. ‘Het is zo puur,’ hoorde ik mijn vriendin zeggen, en ik kon alleen maar denken aan dat tuinhuisje, dat ik zestien jaar geleden met mijn kleuterbrein bij elkaar had gefantaseerd en nu onderdeel van mijn werkelijkheid was geworden.
‘Niet slopen,’ zei ik uit het niets, en verbaasde daarmee naast Lisa en de vrouw, die het over de hoeveelheid water die courgettes kunnen verdragen hadden, ook mezelf.
‘Niet slopen,’ zei ik nog een keer, ‘niet dat huis slopen.’
‘En waarom dan wel niet?’ vroeg de vrouw. Ik wist: dit was een kleuterjuffrouw geweest. Alleen de houten kralenketting ontbrak nog.
‘Gewoon,’ stamelde ik. ‘Gewoon. Ik vind dat mooi.’
‘Toon,’ zei Lisa liefdevol, ‘ga maar naar huis. Ik kom er zo aan.’
Ik droop af.

Die avond, toen ik op het punt stond mijn werkelijkheid met die van de droomfantasie te verwisselen, aaide Lisa over mijn rug en vroeg waarom ik dat huisje wilde laten staan.
‘Het heeft gewoon iets,’ kreunde ik halfslaapdronken. Dat ik me eeuwig schuldig zou voelen als het woonhuis van mijn kinderverbeelding zou worden afgebroken, verzweeg ik.
‘Tja,’ zei ze en een stilte trad in.
‘Het is zo mooi oud en krakkemikkig,’ waren de woorden waarmee ik die stilte weer verbrak. ‘Je weet niet wat daar allemaal in leeft en wat je zijn of haar plekje afpakt.
Lisa bromde zacht, ze vocht tegen de slaap.
‘Zullen we het alsjeblieft laten staan?’ vroeg ik om haar wakker te houden.
‘Is al goed,’ zei ze, draaide zich van me vandaan en viel in een hoorbaar allesoverheersende slaap.
Opgelucht haalde ik adem. Vlak voor ik daarna in slaap viel, verkoelde een welkome, frisse bries de ruimte terwijl alle ramen in onze slaapkamer waren gesloten.

 

Meer lezen? www.toonroumen.nl