Een aantal maanden geleden opende op de Limbrichterstraat in Sittard een kattencafé. Dat is geen etablissement waarbij serveersters in kittige rokjes de miauwenden der aarde tegen betaling voorzien van porseleinen bakjes vol vers water, brokjes en kattenmelk, nee, net als alles op onze wereld is het gericht op het vermaeck van de mensch. Als in elke andere eet- en drinktent kun je er dus maag- en blaasvulling bestellen, maar het verschil zit in het pluizige gezelschap dat je als kattencafébezoeker ten deel valt: in het café hupsen acht poezen rond die de miserie die met het menselijk leven hand in hand gaat, even moeten verzachten.

Voor mijn vriendin Lisa ging die vlieger zeker op toen we een paar weken geleden het nieuwe tentje bezochten. Ik deel mijn leven met een Groots Kattenliefhebber: de enige eis die Lisa had toen we gingen samenwonen was dat we, ondanks mijn kattenallergie, een kat in huis zouden nemen. Ik stemde in, de wil van de man is in de praktijk toch per definitie ondergeschikt aan die van het vrouwelijke geslacht en wie zich daar niet vroeg of laat bij neerlegt richt zichzelf te gronde, ik maakte een afspraak bij de huisarts en kreeg strippen pillen voorgeschreven die mijn jeuk en brandende ogen zouden moeten onderdrukken. Afijn, toen we het café binnenwandelden en Lisa twee kittens zag ronddartelen, vergat ze terstond mij, alle anderen in het gebouw en in een straal van grofweg tweehonderdmiljard kilometer om haar heen sprak de beestjes toe met een hoog stemmetje.

Ik herkende dit gedrag van toen we onze eigen katten via het dierenasiel in een gastgezin ophaalden. ‘Dit is de moeder,’ zei de vrouw die weken voor de beestjes had gezorgd, ‘die wilden jullie graag meenemen. Akkoord, maar dan moet je ook haar zoon meenemen. Ze heeft net een kitten gekregen en ik wil ze niet scheiden. Ze zijn zo leuk samen.’ Wat jammer, dacht ik. Dan gaat het niet door en moeten we op zoek naar een andere geschikte viervoeter.
‘Fantastisch!’ riep Lisa echter. ‘Top! Dan nemen we er gewoon twee! Toch plaats genoeg!’
‘Jazeker,’ zei ik, rustig zuchtend. ‘Plaats genoeg.’

Terwijl ik in het kattencafé de broodjeskaart bestudeerde, zat Lisa vijf meter verderop nog altijd op de grond. Op mijn vraag wat zij wilde eten en drinken antwoordde ze dat ik maar moest kiezen. Dat deed ik dus ook en wachtte rustig tot ik een klein stukje, ook al was het slechts tien procent, van de aandacht die de katten ten deel was gevallen, zou mogen ontvangen om bijvoorbeeld een beleefd alledaags gesprek met mijn vriendin te voeren over het weer, de politiek of de nieuwe onderbroekenverzameling van mijn vader. Zo te zien zat dat er echter voorlopig niet in: Lisa was nu gaan liggen en kietelde de kleine katten synchroon onder hun kinnetjes.
‘Doet u maar twee broodjes carpaccio,’ zei ik tegen het meisje dat zo onderhand toch wilde weten wat er besteld ging worden.

Even later werden mij twee borden voorgeschoteld. Lisa lag nog altijd op de grond, en mijn pogingen haar te lokken met vers voedsel mislukten grondig. Ik at dus twee broodjes carpaccio en dronk twee ijsthee. Na drie kwartier rekende ik af. Toen ik op het punt stond Lisa van de grond te plukken, keek ze me beledigd aan. ‘Ga jij maar,’ zei ze, ‘ik kom er zo aan.’
‘Dat is goed,’ zei ik, buitengewoon verstandig rustig blijvend. ‘Jij komt eraan. Ik zie je zo.’ Ik trok de deur van het café achter me dicht.

 

Meer lezen? www.toonroumen.nl