‘Je moet wel even lachen,’ zei mijn vriendin Lisa toen ik, bepakt en bezakt met beloningen voor mijn olympische topprestatie als bloemen, chocolade en een medaille, over de finish kwam gestrompeld. Lachen, dacht ik, is het uitwendig onderdrukken van inwendige kommer en kwel. Mijn mondhoeken krulden zich dus even omhoog, terwijl ik de wereld vervloekte.

Zelfoverschatting is een van de grootste problemen van deze eeuw – een gedachte die al vrij snel tijdens Swentiboldmars steeds meer waarheid voor me begon te bevatten. Ik dacht: ik doe dat wel even, veertig kilometer wandelen. Toegegeven: achteraf was het enigszins naïef om dat te geloven. Als ik de trap naar mijn bed beklim, moet ik regelmatig al aan het zuurstof en na een rondje over de markt moet ik meestal ‘echt even gaan zitten’, maar ik rechtvaardigde mijn keuze om een tocht door het land van Swentibold te gaan maken met het feit dat ik mezelf een erg jonge jongeman vind. In mijn overtuiging kunnen erg jonge jongemannen zonder al te veel problemen veertig kilometer lopen. Dus ook (lees: zelfs) ik.

‘De paden op en de lanen in!’ zei ik nog levendig na de eerste kilometer. Na vijf keer die afstand begonnen mijn tenen te tintelen. ‘Grappig zeg,’ zei ik tegen een vriend die samen met me de uitdaging was aangegaan, ‘dat voel ik nu nooit.’ Na nog wat kilometers zag ik iemand aan de zijkant van de weg een blaar ter grootte van een euromunt uitknijpen: het vocht spoot eruit als een vrolijk verkoelend fonteintje in het centrum van een pittoresk Italiaans dorpje – of zoiets. De eerste lopers gaven de moed op na grofweg twintig kilometer. Ook ik vroeg me op die afstand steeds meer af waarom ik dit eigenlijk deed. Voor die medaille? Nee. Voor het aanzien? Nee. Voor de eer? Mwoah. Voor spek en bonen? Ach. Nog eens tien kilometer later had ik een doos paracetamol in mijn handen die Lisa die ochtend in mijn tas had gestopt. Ikzelf vond dat belachelijk. ‘Ik ga dat toch niet slikken en het is allemaal gewicht dat ik moet sjouwen,’ zei ik. Nu had ik de doos van vijftig stuks in mijn handen en ik dacht: ik pak ze gewoon allemaal, hupsakee, naar de brandende hel met mijn bestaan. Tijdens de laatste vijf kilometer knapten mijn blaren als met te veel lucht gevulde ballonnen in mijn schoenen. Ik voelde hoe mijn eigen lichaamssap tussen mijn tenen wanhopig en tevergeefs naar een uitgang zocht. ‘We gaan door,’ zei ik tegen mijn strijdmakker.

Eenmaal over de finish, na een toch niet onverdienstelijke wandeltijd van zeven uur en dertig minuten (die we overigens te danken hadden aan het feit dat we niet pauzeerden omdat ik steevast dreigde dan nooit meer op te staan), moesten mijn compagnon en ik dus lachen naar verschillende vermoeiende vogeltjes. ‘Goed hoor, écht knap’ zei iedereen om ons heen, maar wij zagen dat nog niet zo. Wij zagen voornamelijk pijn toen onze blikken elkaar kruisten. Moeiteloos keken we door elkaars glimlachjes heen. ‘We gaan naar huis,’ zei hij, en nog nooit vond ik taal zó mooi. ‘Ja,’ pruttelde ik, ‘huis.’

 

Meer lezen? www.toonroumen.nl