(Dit is een bijdrage van onze vaste blogger Toon Roumen)

Op school speelden we laatst Landje besturen: een rollenspel waarin mijn vrinden en ik, je raadt het al, het landsbestuur zo goed en kwaad als kan, simuleerden. We maakten afspraken over de pensioenen, de staatsschuld en de hypotheekrenteaftrek, en we kozen een minister-president en verdeelden de ministersposten. Geheel democratisch werd ik verkozen tot minister van Kunst en Cultuur, een ministerie dat alleen in ons land (dat overigens nog geen naam had; we hadden er al de nodige vergaderingen over gehad maar we kwamen er echt niet uit) zijn bestaansrecht heeft.

Aangekomen in mijn gefantaseerde kantoor krabde ik me eens goed achter de oren. Ik was vanaf nu dus minister van Kunst en Cultuur. Een zware taak, bedacht ik en ik besloot gelijk maar te beginnen. Ik belde met allerhande musea die al veel te lang gesloten waren en die naar mijn mening eens wat tempo moesten maken, ik sjeesde in mijn autootje (met chauffeur!) naar de première van een geheel door overheidsgelden gesubsidieerde film (vooral de aftiteling waarin de minister van Kunst en Cultuur uitgebreid werd bedankt, vond ik prachtig) en ik opende een nieuwe bibliotheek (want in ons land staat er in elke straat een boekenhuis). Ik riep een nieuwe website in het leven (want zoiets als www.utplatvorm.nl bestond volgens mij nog niet) en ik was aanwezig bij een poëzieavond waar jong talent zijn kunstje kon vertonen.

’s Avonds lag ik afgepeigerd naast mijn vrouw in bed. Diep zuchtend draaide en woelde ik, ik kon niet in slaap komen.

‘Wat is er Toon?’ hoorde ik mijn vriendin vragen.

‘Ach, mijn nieuwe baan is niet niks. Alhoewel een dag in ons land honderdvijftig hele uren duurt, heb ik toch moeite al mijn bezigheden erin te proppen. Zware taak, zware taak.’

‘Dat geloof ik, schat. Ga anders even wat lezen,’ antwoordde ze waarna ik aan haar ademhaling hoorde dat ze in slaap was gevallen.

De volgende dag stond er weer van alles op het programma. Vergaderingen met literatuurwetenschappers om het wel en wee van onze prachtige taal te bespreken, ik mocht jureren bij een nieuw programma waarin mensen onder leiding van de minister van Sociale Interactie (vertolkt door een van mijn vrouwelijke vrienden) debatteerden over enkele politieke kwesties (en ik moest dan zeggen wie het het beste deed, diegene werd beloond met eeuwige roem), bezocht een balletvoorstelling van het Nationale Ballet, trad als acrobaat op in het circus en sloot de dag af met een evaluatie bij de minister-president.

‘Eigenlijk valt me deze taak wel heel erg zwaar,’ zei ik tegen de premier.

‘Kan ik me voorstellen, ik ben ook kapot,’ antwoordde hij. Ik zag dat hij zijn tranen weg moest slikken.

‘Gaat het wel?’ vroeg ik.

‘Niet echt,’ snikte hij. ‘Ik moet zoveel in de steek laten voor deze baan … het is zó zwaar verdomme!’

‘Rustig maar, het komt wel goed,’ probeerde ik, terwijl ik zelf ook moeite had mijn emoties in bedwang te houden. Het hoofd van de minister-president liep rood aan toen hij riep:

‘Ik ben er verdomme klaar mee, dat hele land van ons! Het bezorgt me verschrikkelijk veel kopzorgen! Bij dezen hef ik ons land op!’

Met een gevoel van uiterste blijheid viel ik de minister-president, die nu gewoon weer mijn vriend was, in de armen.

‘Kom,’ zei ik. ‘Laten we naar wiskunde gaan.’