‘Mijn leven is als het in elkaar zetten van een IKEA-meubel zonder eerst de handleiding te hebben gelezen: ik doe eigenlijk maar wat,’ zei hij, zijn blik getergd op de stoeptegels werpend.
‘Wacht even hoor,’ zei ik. ‘Die schrijf ik op, zo’n zin komt altijd nog weleens van pas.’
‘Welja,’ antwoordde hij, en ook dat woord was de moeite van het opschrijven waard, ‘nu kom ik ook nog in een van die columns van jou.’
‘Maak je daar maar geen zorgen over,’ zei ik toen ik een notitie in mijn telefoon had gezet. ‘Als ik dat al doe, zorg ik ervoor dat die zin in een andere context naar voren komt. Over deze ontmoeting zal ik zwijgen als het graf.’

Beloftes zijn er om te breken. Ik was hem tegenkomen tijdens een avondlijke slentertocht door het centrum van Sittard. Hij liep langs mij heen en hoewel ik hem opmerkte, besloot ik als gevolg van soms haperende sociale vaardigheden niet tot het brengen van een groet over te gaan. Waar ik tekortschoot, had hij te over: toen hij mij zag, werden zijn ogen groot, stootte hij enkele kreten uit en viel me om de hals. We moesten maar eens wat gaan drinken, zei hij. Ik vond dat prima, ik zou eens in mijn agenda kijken. Nee, zei hij. Nu.

En zo belandden we op een terrasje. De lichte motregen hield ons (hem) niet tegen. Ik zat tegenover een van de weinigen met wie ik als mini-ik vele momenten van euforie had beleefd. Met wie ik vele balspelen speelde, met wie ik vele knikkers ruilde, van dat soort. Hij vertelde over zijn hortende en stotende leven. Het wilde niet op gang komen. Na het moment dat wij elkaar voor de laatste keer gezien hadden, had hij geen enkele studie afgemaakt en honderdachtendertig baantjes gehad. Bij de laatste job (vakkenvuller) was hij ontslagen nadat hij op een zonnige dag stomdronken op de werkvloer was verschenen en het hem een goed idee leek om een beachparty te organiseren. Daartoe had hij enkele kilopakken zout opengetrokken en op de grond van de supermarkt geflikkerd. ‘Voor het kleureffect’ voegde hij er nog wat kaneel en nootmuskaat aan toe. Hij vertelde het lachend, ik verslikte me in mijn drankje, maar zijn blik verstrakte meteen toen zijn anekdote afgerond was. ‘Dus nee,’ besloot hij. ‘Echt vlotten wil het niet, dat leven.’

Ik vertelde, enigszins beschaamd na het aanhoren van zijn ongeluksverhaal, hoe het mij verging, over mijn studie en het schrijven. In dat laatste leek hij niet bepaald geïnteresseerd, en dat verbaasde me weinig. Nadat ik mijn wel en wee had opgesomd, zei hij dat hij blij voor me was. ‘Klinkt heerlijk,’ zei hij, en ik wist niet precies of dat betrekking had op een bepaald gedeelte van mijn verhaal of op het geheel. Ik knikte. Daarna zwegen we beiden, totdat ik koos de stilte te doorbreken. ‘Ik zal eens betalen,’ zei ik en ik stond op om binnen de rekening te voldoen. Hij zweeg en staarde. Toen ik terugkwam zag ik tot mijn schrik en opluchting tegelijk dat hij was verdwenen. Op ons tafeltje lag een briefje met, heel pathetisch, de tekst: ‘Ik lees het wel’. Ik glimlachte, wandelde naar huis en nam vol goede moed plaats achter mijn laptop.

 

Meer lezen? www.toonroumen.nl