‘Ik vind ’t hier prachtig.’
‘Ik ook. Dat is precies waarom ik je meenam. Ik moest je dit laten zien.’
‘Ik vind ’t hier prachtig.’
‘Goedzo.’

Ik had haar meegenomen naar het stadspark in Sittard. Eindelijk was het lekker weer geworden, de eerste keer in ikweetniethoelang dat de zon sterker bleek dan de wolken.
We hadden niet voor de doordeweekse ingang van het park gekozen. Eerst liet ik haar de alombekende immense watermolen zien. Daarna namen we plaats op een van de aanpalende ‘eilandjes’. Ze zei dat ze ’t daar prachtig vond.

Nadat we een tijdje hadden gezeten, trokken we verder. We liepen langs de roeivijver, waar, uiteraard vissers zaten. Als kind kwam ik vaak langs de vijver en dan viel het me op dat, weer of geen weer, er altijd fanatiekelingen met een hengel in het water zaten. Nu echter scheen de zon en daarom was het druk langs de vijver. Het meisje zei dat ’t daar prachtig vond.

Ik zei dat ik me telkens als ik hier kwam maar bleef bewonderen over de grote hoeveelheid groen in het park. Ik ken meerdere parken, maar deze was toch wel zonder meer het allergroenst. Ik bedacht me dat het fantastisch zou zijn geweest als ik verstand had gehad van planten en het meisje naast me kon imponeren met mijn kennis. Ik zou haar over elke plant een klein verhaaltje vertellen.
Jammer dat ik nog geen zonnebloem van een bos onkruid kan onderscheiden.
Ik vroeg of zij het ook zo mooi vond, al dat groen. Ze antwoordde dat ze ’t prachtig vond.

We kwamen aan het grote grasveld van het stadspark. Zonder dat ze ernaar vroeg vertelde ik haar dat hier vroeger een zwembad had gelegen en dat dat grote witte gebouw daar, die halve ruïne, er vroeger de ingang van was. De voorgevel was na de sloop van de rest van het zwembad blijven staan. Ik vertelde dat ze de oude ingang tegenwoordig gebruikten als entree voor evenementen in het park, maar dat ik niet zeker wist wat er zich allemaal afspeelde in die hokjes aan de zijkant van het gebouw en dat het misschien maar beter was dat ook helemaal niet te willen weten. ‘Ik vind ’t hier prachtig,’ zei ze.

We zaten samen op het veld en we vergaten de tijd. Zonder iets te zeggen observeerden we de wereld om ons heen. We zagen oma’s met kleinkinderen, jongeren die stoer voetballen omhoog hielden en verliefde stelletjes die op een picknickkleed in het gras lagen.

Ik zei: ‘Ik vind je mooi.’
‘Ik vind het hier ook prachtig,’ antwoordde ze.