Ik stap samen met u uit de teletijdmachine. We wrijven in onze ogen en kijken elkaar verwonderd aan. Verrek, het is gelukt. Zonder veel moeite hebben we onszelf naar de herfst van 1906 geflitst. We lopen een stukje, wijzen eens naar gebouwen of delen daarvan die we uit onze eigen tijd herkennen, knijpen onze neus dicht om afschrikwekkende aroma’s de toegang tot onze ademgaten te ontzeggen en komen uiteindelijk aan in het hart van Sittard. Het blijkt marktdag te zijn. Net zoals in ons 2018 is de markt hier blijkbaar op donderdag. Hier en daar zitten vrouwen achter tafels en staan achter kraampjes waar allerhande ondefinieerbaar spul op ligt. ‘Wat apart,’ zegt u en ik kan niet anders dan u gelijk geven. We kijken naar twee jonge meiden, de puberteit is juist begonnen aan hen te knagen, die tussen manden met koopwaar staan. De één is chagrijnig en de ander heeft, aan het gewrijf in haar ogen te zien, een gebroken nacht gehad. ‘Die zijn al lang dood,’ fluister ik tegen u. U knikt, overdonderd, alsof u nu pas doorheeft waar u eigenlijk bent. ‘Op die plek werd ik voor het eerst gedumpt,’ zegt u, en wijst naar een plek waar in 2018 een fraaie drink- en eetgelegenheid huist. Nu is er niets anders te zien dan een krotterig pandje waarin vlees wordt verhandeld. Ik leg mijn hand op uw schouder – het is ook allemaal niet niks. Achter de twee meisjes staat een oudere vrouw die de twee nauwlettend in de gaten houdt. Ik stel me hardop voor dat de maedjes, als de oude vrouw even niet kijkt, toch wat muntjes in de zakken van hun rokken steken en daar later op de avond tandbedervende suikerwaren van kopen. Ik begin erover om u af te leiden, want u lijkt zich weinig zorgen te maken om de terugreis en dat wil ik graag zo houden. Mij viel op dat we in 2018 in een grote verticaal geplaatste kist stapten, en ruim 112 jaar eerder zonder kist arriveerden. Maar goed, over kisten maken we ons later wel zorgen. Laten we eerst onze ogen uitkijken, want je komt hier ten slotte niet iedere dag. Over de markt lopen vrouwen, jongens en mannen. Het valt u op dat het typisch Hollands ‘kijken, kijken en niet kopen’ van alle jaren is. Inderdaad: er wordt veel gekeken, vers fruit en lappen stof worden aan kritische bestudering onderworpen, maar gehandeld wordt er nauwelijks. Een van de marktvrouwen heeft daarom maar een breiwerkje op haar schoot gepakt. Ze maakt een sjaal. ‘Ik wil ook wel een sjaal,’ zeg ik, want warm is het allesbehalve. U kijkt naar de vrouw en dan naar mij. U stapt op de vrouw af en begint een gesprek. U wijst naar mij en dan naar de sjaal. De vrouw kijkt, twijfelt en knikt. Ze breit vlug een eind aan de sjaal en overhandigt hem aan u. U loopt naar mij en geeft mij de stof, die ik dankbaar aanneem en meteen omdoe. ‘U bent een echte vriend,’ zeg ik en ik omhels u kort. ‘Laten we nog wat rondwandelen,’ zeg ik en u knikt. Ik bedenk dat het weinig uitmaakt of we nog terugkomen of niet. Als ik maar met u ben, komt altijd alles goed.

 

Meer lezen? http://www.toonroumen.nl