In het niet ten onrechte de hemel in geprezen werk De Helaasheid Der Dingen van de Vlaamse auteur Dimitri Verhulst groeit de hoofdpersoon op in een bruin café tussen beroepsdronkenlappen en amateurprostituees. Toen hij pas net uit zijn moeder was getrokken, werd hij al door z’n zuipende vader in een soort reismand op de bar gekwakt. Trots als een pauw showde vader de baby aan zijn vrienden, en het is op dat punt dat het leven van Verhulsts hoofdpersoon en dat van mij een parallel vertoont. Ook ik ben, vlak nadat mijn eerste daglicht mijn eerste tranen overdadig deed vloeien, met een doffe klap op de bar van een bruin Sittards café gezet.

Het was in diezelfde kroeg dat mijn vader barman, schoonmaker en boekhouder tegelijk was. Op een maandagavond trad daar een schone vrouw binnen – dat zal mijn moeder dan wel zijn geweest. Ze nam plaats aan de bar en vroeg om bier. Ze stak en sigaret op, en nog een en nog een. Inderdaad, het was mijn moeder. Mijn vader viel als een blok voor haar en niet al te veel later besloot een nog ongeboren vrucht die met trots de naam van een groot Sittards komiek zou gaan dragen, dat met een stuitligging op z’n tijd ook helemaal niets mis is. Na wat specialistisch ingrijpen kwam ik ter wereld, en toen ik samen met mijn moeder uit het ziekenhuis ontslagen werd (‘Eindelijk, een sigaret,’ schijnt ze gezegd te hebben), heeft mijn vader haar thuis afgezet en nam mij dus mee naar zijn café.

‘Unne sjoone jong,’ zeiden de mannen, ‘dat is ‘t.’ Sinds ik mijn eigen babyfoto’s in het album dat mijn moeder samenstelde zag, ben ik het met die woorden overigens grondig oneens, maar dat terzijde. Bovendien siert een stukje bescheidenheid ieder mens. Mijn vader straalde in ieder geval van trots. Hij bestelde hele vaten gerstenat bij de lange, lelijke slungel die zijn verlof opving, dronk zichzelf draaiende en liet ons naar huis chauffeureren. Daar aangekomen klemde hij zijn lustig schijtende en jankende zoon aan de borst van zijn slapende vrouw. Hij wandelde naar beneden en viel in een onrustige slaap. Uren later wreef hij de korrels slaap uit de hoeken van zijn ogen en wekte mijn moeder. ‘Unne sjoone jong, dat is ‘t,’ zei hij toen hij mij zag. Mijn moeder kon niet anders dan beamen, maar niet voordat ze zichzelf had voorzien van de eerste microgrammen nicotine en teer van de dag.

In De Helaasheid Der Dingen gaat de hoofdpersoon, inmiddels volwassen en zelf vader, z’n pa achterna. Hij troont zijn zoon mee naar de kroeg waar hij op de bar werd gezet, en daar scheiden onze wegen. Dat Sittardse bruine café bestaat niet meer, is in handel gevallen van commerciële grijpgragen. Ik zal mijn zoon, wanneer die ooit jankend en schijtend voor de deur zal staan, dus niet met een klap op de vertrouwde bar zetten. Maar ongetwijfeld zal ik hem overal mee naartoe tronen en als vanzelfsprekend zal ik stralen van trots wanneer ik complimenten in ontvangst zal nemen. Zonder twijfel zal ik ze beamen. ‘Unne sjoone jong, dat is ‘t.’

Meer lezen? www.toonroumen.nl