Het is een aantal duizend nachten geleden en met een door de regen kletsnatte kop wandel ik door het Sittardse stadspark. Mijn linkerhand omklemt die van een meisje die miljoenen rupsen in mijn maag tot druk fladderende vlinders heeft weten om te toveren. Voor en achter ons wandelt de rest van mijn schoolklas: allemaal keurig in rijen van twee, handen in elkaar gewrongen. De meester schreeuwt om boven het natuurgeweld uit te komen. We moeten schuilen, zegt hij, omdat de weg terug naar ons veilige, droge klaslokaal nog lang is en omdat de hemel begint te rommelen. Ik kijk naar links en zie dat het klasgenootje voor wie ik op dat moment al onmiddellijk op mijn knieën zou gaan, mocht mijn leeftijd dat niet verbieden, zachtjes huilt. ‘Ik ben bang voor onweer,’ zegt ze. Er bungelt een aandoenlijke snottebel aan haar neus.

‘God is verdrietig,’ leg ik haar wat later uit als de meester besloten heeft dat schuilen onder een grote boom naast de befaamde visvijver het meest strakke plan is. Dat het over het algemeen als intelligenter wordt ervaren om tijdens het spitsuur geblinddoekt de A2 over te eenwieleren dan om tijdens noodweer met achtentwintig bengels onder een hoge eik te schuilen, komt als vanzelfsprekend in geen van onze kleinemensenbreinen op.
‘God is verdrietig en daarom moet hij nu even heel hard huilen. Misschien heeft hij net een potje mens-erger-je-niet verloren en kan hij niet goed tegen zijn verlies. Hij moet nu even huilen en is een beetje boos, maar dat gaat altijd vanzelf weer over. Zijn mama komt hem vast zo troosten.’ Ik zie dat een rimpelig vrouwtje op een meter of tien van ons vandaan onhandig met een plastic wegwerpponcho klooit. Uiteindelijk geeft ze de strijd op en werpt het kunststof onding weg in de prullenbak – volgens de naam van dat prul de enige geschikte actie.
‘Ik hoop het,’ verzucht het lievelieve kleine meisje,’ grijpt mijn kin onhandig vast en kust mijn wang.
‘Zo,’ zegt ze. ‘Dat was dan dat.’              

Als God een kwartier later getroost is, komen we onder de boom vandaan. De meester geeft te kennen dat we de verdere terugtocht gaan inzetten. Ook zij staat op, wringt haar handje weer in de mijne en zegt dankjewel.
‘Het was God maar,’ voegt ze daaraan toe.
‘Ja,’ zeg ik. ‘Het was God maar.’
Een tijd lang zegt ze niets, terwijl de andere tweetallen de nieuwste speelgoedtrends en televisiespektakels bespreken. Het gaat langs ons heen. Als de regen halverwege toch weer met kleine hoeveelheden op onze hoofden klettert, knijpt ze ritmisch in mijn hand. Kort-kort, kort-lang-kort-kort, lang-lang-lang. Kort-kort-kort-lang. Kort.
‘Wat is er toch?’ vraag ik na een paar minuten geknijp, met de liefste irritatie denkbaar, maar antwoorden doet ze niet. Onverstoorbaar knijpt ze verder.

In deze ijzige nawinter wordt mijn hand in het stadspark niet door haar, maar door mijn teerbeminde Lisa vastgeklemd. Dit keer is het geen regen, maar sneeuw die het wandelen bemoeilijkt. Gras kraakt onder onze voeten. Als ik langs de boom loop, blijf ik staan.
‘Wat is er?’ vraagt Lisa en ik antwoord dat er niets is.
‘Ik vraag me alleen af wat God nu doet,’ zeg ik, naar boven wijzend. Lisa kijkt me met een niet-begrijpende blik aan.
‘Ik snap er niks van,’ zegt ze en ik besluit meteen dat ik dat het beste maar zo kan houden.

Meer lezen? www.toonroumen.nl